Jan
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

Een citaat van Jan: “Ook hier is de onderliggende drijvende kracht de polarisatie van inkomens en vermogens, die in de VS veel extremer is dan in Nederland. In zekere zin laat wat er nu in de VS gebeurd zien waar wij over 20 (of 10?) jaar staan als we op dezelfde weg van verdere polarisatie en erosie van ons maatschappelijk kapitaal doorgaan.”
Lees zijn nieuwe boek Ons maatschappelijk kapitaal. Of je nu links, midden, rechts of progressief bent: we weten allemaal dat al die stromingen op verschillende momenten essentieel zijn voor een gezonde samenleving—Nederland dus. Dus terwijl grote delen van de wereld in brand staan en andere regio’s op de rand van oorlog balanceren, kunnen zijn inzichten juist houvast bieden: een heldere blik onder de motorkap van de economie.
Ons Maatschappelijk Kapitaal in 3 pagina’s
Hoofdstuk 1: Nederland is in crisis. De overheid kan geen besluiten meer nemen en goed uitvoeren. De economie groeit bijna niet meer. De transitie naar duurzaamheid stagneert. Wat zijn de oorzaken daarvan. Heeft de generatie van de babyboomers die grote idealen had voor een betere samenleving het laten afweten? En welke rol speelde het neoliberalisme dat na 1980 dominant werd?
Hoofdstuk 2: Waar staan we nu. Nederland is een rijk en succesvol land, met tot voor kort een heel tevreden bevolking. Maar de ongelijkheid is de laatste veertig jaar sterk toegenomen – de rijken zijn veel rijker geworden, en hebben ook een grotere voorsprong genomen op het gebied van gezondheid, levensverwachting, wonen en mentale gezondheid.
Hoofdstuk 3. Dit is het lastigste deel. Ik introduceer het begrip ‘maatschappelijk kapitaal’. De kerngedachte is dat de manier waarop een land georganiseerd is, waarop samengewerkt wordt door alle bevolkingsgroepen, bestaat uit een groot aantal spelregels (economen noemen dat ‘instituties’). Deze zijn tamelijk uniek voor een land of regio en zijn ontstaan door historische veranderingen. De kern van onze instituties gaat wel zo’n duizend jaar terug. Onze instituties zijn ook tamelijk inclusief – het idee is dat iedereen zich maximaal kan ontwikkelen, wat weer goed is voor economische ontwikkeling. En dat machtsmisbruik gecorrigeerd wordt. Deze instituties vormen ‘ons maatschappelijk kapitaal’, zijn de bron van welvaart van een land. Het boek richt zich dan verder op de vraag hoe dit maatschappelijk kapitaal veranderd is in de periode 1980-2020. Zijn we beter gaan samenwerken of slechter?
Hoofdstuk 4. In de hoofdstukken 4 tot 9 ga ik verschillende onderdelen van de samenleving langs om de veranderingen tussen 1980 en 2020 te analyseren. Dit hoofdstuk handelt over de crisis van de staat, de overheid. Ideologisch zat de staat vanaf de jaren 1980 in het hoekje waar de klappen vallen. De boodschap van het neoliberalisme was dat de staat zich moest terugtrekken en dan zou de markteconomie vanzelf voor dynamiek en innovatie zorgen. De krimp die heeft plaatsgevonden is ten koste gegaan van de kwaliteit van het overheidsoptreden. Dergelijke problemen doen zich voor bij onderwijs (afnemende kwaliteit), defensie (uitgekleed), justitie (het oprukken van de onderwereld), landbouw (het niet oplossen van de stikstofproblematiek) en ga zo maar door. Een sterke staat is nodig om deze problemen het hoofd te bieden, en om de nodige hervormingen – verbeteringen van ons maatschappelijk kapitaal – mogelijk te maken.
Hoofdstuk 5 gaat over de welvaartsstaat, en vooral de garantie die de overheid alle ingezetenen volgens de Grondwet biedt op ‘voldoende inkomen’. Dit werd vanaf 1980 ingevuld door het invoeren van allerlei toeslagen voor specifieke bevolkingsgroepen. De koopkrachtplaatjes speelden daarbij een centrale rol. Met minimale middelen werd gepoogd de koopkracht van de minima te stabiliseren. Maar het inkomen dat zo gegarandeerd werd, bleef achter bij de groei van de welvaart. En het steeds ingewikkelder worden van het toeslagensysteem zorgde voor veel frustratie en vervreemding van de overheid. Die ook nog eens steeds bureaucratischer werd.
Hoofdstuk 6 bespreekt de ontwikkeling van het bedrijfsleven. De paradox die daar geschetst wordt is dat de winstgevendheid van het bedrijfsleven na de dip rond 1980 sterk hersteld is – zelfs ongekend hoog is – maar dat dat niet leidt tot meer investeringen, R&D en economische groei. Die groei is zelfs sterk afgenomen. Voor 1973 was 3 tot 5% normaal, nu mogen wel blij zijn met 1%. Dit wordt veroorzaakt door de toenemende invloed van de aandeelhouderswaarde als centraal doel van het bedrijfsleven, waardoor bijvoorbeeld steeds meer winst niet wordt geïnvesteerd maar gebruikt wordt om aandelen in te kopen. Ook de relatief lage lonen en de flexibele arbeidsmarkt zorgen er voor dat de prikkel om nieuwe, arbeidsbesparende technologie te ontwikkelen en toe te passen ontbreekt. Dit alles leidt tot ‘seculaire stagnatie’, en de trage economische groei betekent ook dat er op politiek vlak meer scherpe keuzes gemaakt moeten worden.
Hoofdstuk 7 wil de balans opmaken van de digitale revolutie die vanaf de jaren 1980 economie en samenleving diepgaand veranderd heeft. De speciale technologie (digitale produkten zijn vrijwel voor niets te kopiëren en de verspreiding ervan gaat met de snelheid van het licht) en het feit dat de overheid zich vrijwel niet bemoeide met de transitie naar het digitale tijdperk, heeft ervoor gezorgd dat een soort ‘Wilde Westen’ is ontstaan, waarin het ongeremde kapitalisme domineert. De in de jaren zestig verankerde voorkeur voor gratis diensten maakte het noodzakelijk om een business-model te ontwikkelen waarin de waarde van data een belangrijke rol speelde. Grote techbedrijven bouwden sterke machtsposities op, en De positieve waardering van de IT-revolutie uit de beginjaren maakte plaats voor een veel meer kritische beoordeling ervan, waarin de negatieve (bij)effecten – stress, verslaving – steeds sterker worden.
Hoofdstuk 8 bespreekt de moeizame transitie richting grotere duurzaamheid en zoomt in op de veranderingen in de energie-economie en de emissies van broeikasgassen. Er blijkt tot 2020 weinig vooruitgang te zijn geboekt (de officiële cijfers laten veel te wensen over). Twee oorzaken worden onderzocht. Ten eerste de gebrekkige steun voor deze transitie onder de bevolking, die leidt tot een golfbeweging in de aandacht voor milieu en klimaat, en in het niet doorbreken van een nieuwe meer milieubewuste levensstijl/consumptiepakket. Ten tweede de weerstand die groepen met tegengestelde belangen biedt, waarbij ze erin slagen om radicale beleidsopties van tafel te krijgen. Veel wordt overgelaten aan tamelijk vrijblijvende convenanten, veel beleid bestond uit het verlenen van subsidies (die meestal weer afliepen) in plaats van duurzame wetgeving.
Hoofdstuk 9 gaat in op de Europese dimensie van dit verhaal. Eerst wordt aandacht besteed aan de effecten van de euro en de EMU, de Europese Monetaire Unie. Deze blijken over het algemeen negatief te zijn geweest: de EMU splitste de EU in twee delen, speelde een rol bij de Brexit, leidde niet tot een versterkte economische integratie, en leidde de aandacht af van belangrijker werk gericht op de verdere versterking van het Europese project. En dan hebben we het nog niet gehad over de Eurocrisis van 2010-2012, wat vooral Griekenland langdurig op achterstand zette. De samenwerking in het Europese project werd niet versterkt door de EMU, waardoor de EU nu de kracht lijkt te missen om in de nieuwe, post-Navo wereld een sterk machtsblok te vormen.
Conclusie. Er is dus veel mis gegaan. Het maatschappelijk kapitaal van Nederland is duidelijk aan erosie onderhevig geweest, en we staan er in de jaren 2020 niet bepaald florissant bij. De crisis van de staat en de zelfgenoegzame economie zijn daar de duidelijkste tekenen van. Het neoliberalisme speelde daarin een belangrijke rol. De EMU was een neoliberaal project met het doel het economisch beleid en vooral de begrotingspolitiek van de leden van de EU te disciplineren. De verzwakking van de staat waarover hoofdstuk 4 handelde, werd ideologisch geheel door het neoliberalisme geïnspireerd. Het ‘Wilde Westen’ van de IT-revolutie was deels een gevolg van de (neoliberale) weerstanden om deze nieuwe maatschappelijke infrastructuur te reguleren – met alle gevolgen van dien. Maar de babyboomers lieten het afweten bij de transitie naar grotere duurzaamheid (wat sowieso geen neoliberaal project was), en verwaarloosden eveneens de erfenis van de jaren zestig en zeventig, de welvaartsstaat. En aan de basis van de opkomst van het internet stond het (jaren zestig) idee dat deze diensten gratis moesten zijn, wat helemaal verkeerd uitgepakt is.
Het is natuurlijk vooral de vraag: hoe nu verder? Hoe repareren we de geschonden delen van ons maatschappelijk kapitaal en hoe kunnen we in verbeteringen investeren. In de conclusie van het boek wordt hier verder op ingegaan.
Jan Luiten van Zanden, emeritus hoogleraar economische geschiedenis Universiteit Utrecht
